Het gaat om een deel van het boekje over Katholieke Friese Geslachten van H.W.F. Aukes uit 1941. Hieronder is de letterlijke tekst van de pennenvrucht opgenomen:

Bruinsma, een stadsfamilie.

De hier behandelde stadsfamilie Bruinsma vormt een van de tot nu toe besproken geslachten sterk afwijkend type, ongetwijfeld evenzeer door-en-door Fries. In Frieslands cultureel leven van de laatste anderhalve eeuw bewoog de familie Bruinsma zich voortdurend op het eerste plan. Zij herinnert ons aan die talrijke Katholieke Friese geslachten, die in de 17e eeuw een bloeiend cultureel leven leidden, vereenzaamd als zij waren in de diaspora, families van kunstenaars en advocaten, van notarissen en edellieden, zoals de geslachten Van der Lely, Bolten, Metz. Eminga, Sytzema, Buygers, De Wolff, Camminga e.a.

Graag is de gelegenheid aangegrepen, om op grond van de naamsgelijkheid hier iets te zeggen van de Bruynsma's van de leeuw en de acht rozen en van hun veronderstelde verwanten te Bolsward. Een schakel echter naar de thans behandelde familie ontbreekt, tenzij men wenst aan te knopen bij de aan dit geslacht eigen voornaam Anastasius welke de verlatíjnsíng vormt voor de Friese mansnamen Anne en Anske, welke laatste, zoals gezien, bij de familie te Ypecolsga in ere was. Neen, de afstammelingen van Ide, die zich volgens familietraditie vanuit Workum te Leeuwarden vestigde, zien evenals de meeste onzer levende geslachten, reeds rond het eerste kwart der 18e eeuw hun geschiedenis vervagen in de nevels der praehistorie.

Anastasius Ides Bruinsma, zoon van genoemde Ide, in 1737 in een onbekende plaats geboren en te Leeuwarden in 1818 overleden, was timmerman en houtkoper van beroep. Hij huwde in 1763 met Anna Maria Klingenburg, dochter uit een manufacturiersfamilie van Duits origine; een oud-tante zijner vrouw; Juliana Abrahams Klingenburg, wordt vermeld als "klopje" of geestelijke dochter. Anastasius, een man van rotsvaste geloofskracht, was lid van de raad der stad Leeuwarden. Toen hem het ambt van stedelijk bouwmeester werd aangeboden, weigerde hij te voldoen aan de gestelde voorwaarde: zijn Geloof te bemantelen.

Tweede generatie. Uit het huwelijk van den Katholieken Stand-Fries Anastasius werden vijf kinderen geboren: 1. Eduard Abraham, 2. Abraham Anastasius, 3, Eduard Anastasius, 4. Anastasius Joannes en 5. Joannes Rochus.

Abraham (1766-1849) werd opgeleid voor architect en verbleef daartoe o.m. enige tijd te Parijs. In 1790 huwde hij met Clara M.. Zijlstra, een meisje uit een destijds vooraanstaand Katholiek Leeuwardens geslacht, dat geparenteerd was aan de families Eelcoma, Bolten, Ernsthuys, Cathuis en Van der Lely. Merkwaardig is wel het toeval, dat Clara's grootmoeder van vaderszijde, Johanna van der Lely, een kleindochter was van den zilversmid Hans Hansen Bruynsma, die in het vorig hoofdstuk enige opschudding verwekte !

Uit deze families kwam het voogdschap van het Rítske-Boelemagasthuis bij de Bruinsma's; tegenwoordige voogd is notaris Franciscus J. Bruinsma van Bolsward. Na zijn huwelijk vestigt Abraham zich op Sjoerdastate te Giekerk, een bezitting, die een halve eeuw voordien bewoond was door den eerst Jansenistischen, sinds 1733 Katholieken dichter Arnold van Erusthuys. Abraham bleef steeds als architect werkzaam, en ontwierp bijvoorbeeld de erepoorten bij de Intocht van koning Lodewijk-Napoleon te Leeuwarden. Mogelijk is in deze tijd het familiewapen Bruinsma ontstaan: rechts de halve zwarte adelaar in goud, die men op vrijwel alle Friese wapens vindt, links-boven een passer en haak van goud in rood, duidend op het beroep van enkele der oudste leden van het geslacht; links-onder drie groene klavers in zilveren veld (de drie klavers betekenen, zoals bekend, in de Friese wapens het eigen-erfd grondbezit).

De uitgesproken bestuurders-kwaliteiten, die voor de familie kenmerkend zijn, naast wetenschappelijke acribie en veelzijdige aesthetische Inslag, vindt men in belangrijke mate reeds in Abraham terug: hij was lid der Staten van Friesland en verder o.a. assessor in Tietjerksteradeel.

Zijn broer Eduard (1768-1843) leefde als beeldhouwer ongehuwd te Leeuwarden.

Evenals de vader was Jacobus Anastasius Joannes (l771-1826) houthandelaar; eerst in compagnie met zijn broer Joannes Rochus, (1774-1847), die gehuwd was met Susanna Hinxt (kinderloos); later alleen.

Jacobus bekleedde de functies van chef-de-bureau van Financiën bij het Provinciaal Bestuur en van President der Rechtbank van Koophandel te Leeuwarden. In 1800 had zijn huwelijk plaats met Híllegonda M. Rozé (geb. 1771). Hij werd de moeder van de volgende generatie, en stamde uit een familie van niet-alledaagse afkomst. Haar vader was Jozef Rusca (1735-1779), geboren te Langenau in Bohemen, die zijn vaderland verlaten had om de dienstplicht te ontgaan en zich in zaken te Leeuwarden vestigde, waar de naam in de loop der tijden tot Roze schijnt te zijn verbasterd. In 1826 stierf Jacobus Bruinsma aan de "heerschende zenuw koorsen", die in dat jaar in Friesland onnoemelijk veel ellende hebben gesticht.

Derde generatie. De zes kinderen van dit interessante Fries-Boheemse echtpaar waren: 1. Anastasius Josephus, 2. Josephus Joannes, 3. Anna Maria Clara, 4. Margaretha (overleden 1845 te Zwolle, als echtgenote van Ferdinand Schaepman), 5. Abraham Fred. Anastasius, 6. Eduard Joannes.

Anastasius , Josephus (1803-1878) volgde in 1826 zijn vader op, later verwisselt hij van bedrijf en richt hij een katoenfabriek op te Schrans bij Leeuwarden.

Ook de katoenfabrikant onder de Bruinsma's is een aparte figuur; hij laat bijvoorbeeld een "katoentje" drukken, waarop stadsgezichten uit Leeuwarden en Friese klederdrachten! Er bestaan nog verschillende exemplaren van. In 1846 sluit hij de zaken en voortaan beoefent hij met buitengewoon doorzettingsvermogen de Friese historie, Het resultaat van zijn arbeid, door de familie aan de Provinciale Bibliotheek geschonken, omvat een veel geraadpleegde verzameling van 36 portefeuilles handschriften. In Alberdingk Thijm's Volksalmanak schreef Anastasius een opstel over de Friese Zalíge Eelco; een zijner achterkleinzoons draagt thans onder de zonen van Sint Frans de naam Eelco als kloosternaam. Uit het huwelijk van den geschiedvorser met Joanna M. A. Metz (1809-1882) de dochter van den apotheker Nicolaas L. J. Metz, uit het reeds in de 17e eeuw vernielde Katholieke Leeuwardense geslacht van die naam, stamden twaalf kinderen, over wie onder de vierde generatie nader.

Jozef J. Bruinsma (1805-1885), apotheker te Leeuwarden, bleef ongehuwd en wierp zich met onverzettelijke energie op de studie der natuur. Tot ver buiten 's lands palen werd hij befaamd als plant- en delfstofkundige. Talrijk zijn de publicaties in boekvorm en in tijdschriften, die hij naliet. Een zeer belangrijke vrucht van zijn pen is de ..Flora Frisica", waarin hij de zichtbaar bloeiende planten van Friesland beschreef. Hij bestudeerde sommige Nederlandse graansoorten, schreef over de zijdeworm, over de Friese bodemgesteldheid, over het Roode Klif, de Fluessen over de historie der ziekenverpleging te Leeuwarden, enz. enz. Jozef was lid van talrijke binnen- en buitenlandse geleerde genootschappen, werd geridderd met de orde van de Eikenkroon en bekleedde jarenlang het wethouderschap van zijn geboortestad. Professor F. Miquel vernoemde een plant naar hem, de Bruírismania Isertioides.

De levensweg van Abraham F. A. Bruinsma (geboren 1811) uit de derde generatie, is een zeer uitzonderlijke. Na in Leiden tot doctor in de medicijnen gepromoveerd te zijn, vestigde hij zich eerst te Leeuwarden, daarna oefende hij te Hasselt (Overijssel) zijn praktijk uit. Na aldus enige jaren in het volle leven te hebben gestaan, verliet de medicus zijn land en de wereld, om eenvoudig lekenbroeder te worden bij de Broeders van Liefde te Mechelen; later verbleef hij te Rome en vervolgens te Antwerpen. Zijn sterfjaar is niet te achterhalen.

Vierde generatie. De twaalf kinderen van den geschiedvorser Anastasius en zijn vrouw Joanna Metz zijn de volgende: 1) Petronella S.J. (1831-circa 1908); 2) Hillegonda M. B.(1833-1906); 3) Jacobus A. Jos. (1834-circa 1914), apotheker te Leeuwarden later te Breda; 4) Nicolaas Laurentius J. (1836-1909); 5) Anna M. C. (1838-circa 1914); 6) Gerhardus Wijnandus (1840-circa 1910); 7) Sabina Anna (geb. 1842. hoogbejaard overleden); 8) Jos. Ferdinand (1844-1923); 9) Jos. Fred. Dominicus (1846-1913), 10) Margaretha C. F. (1848-1872); 11) Vitus Jacobus (1850-circa 1910); 12; Abraham, E. J. (geb. 1852).

Uit dit veeltallig kroost werd het tweede kind, Hillegonda, religieuze; zij was hoofd van een school te Leiden.

Nicolaas L. J. Bruinsma, evenals zijn vader een man van organisatie, tevens actief op muzikaal terrein, was van 1867 tot 1877 als notaris werkzaam op Ameland, en vervolgens In dezelfde kwaliteit te Bolsward. Hij was gehuwd met de uit Den Bosch afkomstige Joanna Phil. van Eijndhoven.

Onder de bekwame en productieve mannen van zijn geslacht neemt een bijzondere plaats in Dr. Gerhardus W. Bruinsma, als arts te Steenbergen in Noord-Brabant werkzaam en gehuwd (kinderloos) met Margot Stoop. De publicaties van zijn hand zijn nauwelijks te tellen. Met zijn tien jaar jongeren broer Dr. Vitus ondernam hij een heftige campagne tegen de kwakzalverij, jarenlang redigeerden zij samen het Maandblad van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, van welke vereniging zij de oprichters waren. Samen schreven zij "De Hedendaagse Kwakzalver". Een ander werk op dat terrein droeg de bijtitel: "Een boek voor hen, die hun gezondheid en hun beurs liefhebben" en daarmede typeerden zij anecdotisch hun gehele arbeid, dit zeer sterk humanitair gericht was en die zich occupeerde met alles wat strekken kon tot het volkswelzijn, De geneesheer schreef niet alleen een tweedelig "Geneeskundig Wetboek van Nederland", maar leefde voor alle belangen van zijn West-Brabantse boeren, propageerde schaalrechten op tarwe, schreef over de verkoop van beetwortelen op suikergehalte. Waar mistoestanden te verbeteren waren, vond men zijn geest vaardig en zijn pen snel: zelfs het marcheren van soldaten werd het onderwerp van een open brief van zijn hand.

Met een verbeten energie en grote zin voor het exacte wierp de reeds genoemde Dr. Vítus, H. B. S.- leraar te Leeuwarden, zich op alles wat in die merkwaardige periode van onze historie werd gezien als dienstig tot vermeerdering van 's mensen levensvreugd: hygiëne, eerste hulp, natuurgenot, leerplicht, drankbestrijding, de reeds vermelde anti-kwakzalverij campagne, enz. terwijl hij daarnaast belangrijk werk presteerde door zijn geschriften betreffende de zuivel industrie. Helaas bedwelmde Dr. Vitus zich aan het gif van Multatuli's sophismen; hij werd een militant vrijdenker. Wij besparen den lezer de talloze titels van zijn in het kort aangeduide publicistische arbeid; in de bibliographísche naslagwerken liggen zij voor het grijpen.

Dr. Jos. Ferdinand Bruinsma, gehuwd in 1875 met Sophie Pussemier, was arts te Assenede in België en werd door de Belgische regering gedecoreerd om zijn optreden tijdens een epidemie.

Jozef Fred. D. Bruinsma koos zich de militaire loopbaan en ook hier verloochende zich het bloed niet ! Hij maakte uitmuntend carrière. In 1868 werd hij gewond op Bali, later had hij de leiding bij de pacificatie van het eiland Lombok na een van de befaamde Lombok-oorlogen, terwijl hij zijn loopbaan afsloot als commandant van de koloniale reserve te Nijmegen; hij werd gepensioneerd met de rang van luitenant-generaal. Het is interessant. dat zelfs de krijgsman onder de Bruinsma's aan het publiceren toog. Van Jozef's hand verschenen namelijk een paar zeer doorwrochte studies op krijgshistorisch terrein !

Vermelden wij ten laatste, dat Abraham, de jongste en enige nog in leven zijnde van zijn generatie, eveneens naar Indië trok en dan hoofd-inspecteur werd van het Boschwezen. Zijn tachtigste verjaardag werd daar aanleiding tot een bijzondere huldiging: er verscheen een uitvoerig gedenkboek, en een der Indische locomotieven werd "Bruinsma" genoemd ter ere van den feesteling. Voor de vrijmoedigheid, waarmede deze Bruinsma voor de zaken van recht en billijkheid durfde opkomen, pleit zijn krachtige "Open Brief aan Mr. D. Fock", die in 1904 veel opzien verwekte.

Waardige afsluiting van deze portretten-galerij van karaktervolle figuren vormt Petrus Anastasius (Staas) Bruinsma, geboren 1872 als oudste zoon van notaris Nicolaas L. J. Bruinsma, onder de vorige generatie vermeld. P. A. Bruinsma volgde zijn vader in 1909 in het Bolswardse notariaat op dat in 1922 door zijn broer Franciscus J. Bruinsma werd overgenomen. Van de hand van oud-notaris Staas Bruinsma verschenen o.a. talrijke werken voor toneel, waarvan genoemd worden: "Een , dag twaalf een kinderoperette met muziek van Otto Ludwig (Wernicke), die veel succes had en thans no ; steeds wordt opgevoerd; het "Paardenmiddel", eer, klucht met muziek van Wubbenus Jacobs; "Moeders s Wiegelied", met muziek van Cor Kint; het in 1908 uitgegeven toneelspel uit het oud-Friese volksleven) "De Meikoningin", met muziek van Otto Ludwig (Wernicke) had eveneens zeer veel succes en werd o.m. te Den Haag in tegenwoordigheid van H.M. de Koning n opgevoerd. Verder valt nog te noemen: "De Zonderlinge marskramer of de Bolswarder Oliekoeken", In, eerlijke, volkse en beweeglijke stijl geschreven; de operette "Oom Kees", waarbij Pater G. Schuurman O.F.M. destijds kapelaan te Bolsward, de muziek componeerde. De periode van P. A. Bruinsma's grootste productiviteit valt in de jaren 1900-1915. Uit die tijd dateren ook talrijke prozaschetsen, perfect geschreven in de trant, die wij in die dagen terugvinden in het werk van auteurs als Heyermans; van deze stukken, die vooral in Van Onzen Tijd een plaats vonden, werd o.a. "Het Karbonaadje" een geliefd voordrachtstuk; "Kunstgenot" en het in Van Deyssel's tijdschrift "De Twintigste Eeuw" verschenen "De Verrassing " behoren tot het beste werk van den auteur en zijn van een brede, krachtig doorklinkende prozastijl, Ook in Ons Noorden, toen nog een weekblad, publiceerde Bruinsma in de jaren 1908-1911 talrijke graag gelezen opstellen.

In het muzikale zowel als In het toneelleven, bij het samenstellers van historische optochten, enz., is er van den oud-notaris Staas Bruinsma (die gehuwd is met Alida Wartena uit het nageslacht van Lolke Gerrits, den "Koning van Wartena", (1668-1755), een krachtig stimulerend invloed uitgegaan op het Bolswardse culturele leven.

Zijn geslacht, een geslacht van actieve, zeer begaafde mannen, die zonder baatzucht werkten zolang het dag was, mag niet vergeten worden; het heeft zich talloze verdiensten verworven voor de Friese en de Nederlandse gemeenschap.

N.B. Bronnen voor de historie van deze familie: de genealogische map Bruinsma op de Prov. Bibliotheek te Leeuwarden, de gewone bio- en bibliografische naslagwerken-, mondelínge mededelingen.

 
Familieportret Leeuwarden 1852
 
Copyright 2011-2015 J.F.D. Bruinsma, bijgewerkt op 12 juli 2015