Jozef Bruinsma
   

De Fuselier Van Overmeiren, een flink soldaat

Maart 1873; de commandant van het 3e bataljon, de dappere majoor Cavalje - thans militiecommissaris te Breda - houdt zijn gewoon dagelijksch rapport. De luitenant-adjudant rapporteert, dat de Europeesche fuselier Van Overmeiren verzocht heeft zijn chef te mogen spreken. "Wat is er ook weer gaande met dien fuselier ?" "Majoor," - zoo zegt de adjudant - "hij is wegens herhaald wangedrag voorgedragen om geplaatst te worden in de strenge categorie der 2e klasse van discipline." "Laat hem binnenkomen;" en de overtreder nadert eenigszins bedeesd zijn chef. "Majoor, ik weet, dat ik het bont gemaakt en wat verdiend heb, maar het bataljon gaat naar Atjeh; doe mij niet de schande aan, mijn compagnie niet te velde te mogen volgen.

Probeer het nog eens met mij; u zult tevreden over mij zijn, majoor; liever zal ik mij in stukken laten hakken dan een pas terug te wijken voor den vijand." De majoor Cavalje kende zijn volkje; hij ziet hem scherp in de oogen en zegt: "nu goed, Overmeiren, je gaat mee, maar je weet: oppassen is de boodschap, anders kan ik je niet gebruiken; sergeant-majoor, aan de voordracht wordt geen gevolg gegeven." Wij verplaatsen ons thans naar het strandbivak op Atjeh.

Het is den 10 April 1873, de colonne der eerste expeditie stelt zich in beweging om landwaarts op te rukken en den vijand aan te tasten. De voorwacht bestaat uit de le compagnie van het 3e bataljon, 2 pelotons der 6e compagnie, 1 peloton mineurs en een sectie berghouwitsers. De kapt. Van Lier voerde deze macht aan. De hoofdtroep der voorhoede, gevormd door de overige compagnieen van het 3e bataljon, volgde onder bevel van majoor Cavalje.

De hoofmacht en de achterhoede volgden den weg, welke door de voorhoede zou worden gebaand. Groote bezwaren werden bij den opmarsch ondervonden; vooral veroorzaakte de overtocht over de lagune Tjangkoel belangrijk oponthoud; de smalle brug, welke de troepen moesten passeeren, was spoedig glibberig door de bemodderde schoenen der soldaten, paarden gleden uit, manschappen moesten zich aan do brugleuning vasthouden, om niet naar beneden te storten; eerst na 4 1/2 uur was de colonne aan den overkant; 110 officieren, 2100 onderofficieren en minderen, 650 koelies, 59 geleiders van overzwemmende paarden, 5 houwitsers, 4 mortieren, munitie, vivres enz. Voorwaar een heele sleep, om dit defile te doortrekken. Aan inspanning van krachten had het niet ontbroken.

De voorhoede was genoodzaakt geweest l 1/2 uur in gloeiende hitte in een sawahveld te wachten, tot de geheele colonne kon volgen. Eindelijk, te halftwaalf, bereikte de voorste sectie een grasheuvel, gelegen op ongeveer 300 M. van den oostelijken rand der Missigit, welke zulke bloedige offers zou eischen.

Van den vijand was nog niets bespeurd. Eensklaps evenwel toonden zich hoofden boven de Missigit en werd onze colonne, die in de open vlakte een prachtige schijf aanbood, met geweersalvo's begroet.

Onmiddellijk ontving de voorhoede last 's vijands stelling nader te verkennen: een peloton der le compagnie 3e bataljon werd ter rechterzijde, een ander ter linkerzijde ter verkenning vooruit gezonden.

Het le peloton - onder commando van den compagnies-commandant - marcheerde in de richting van een boschje, doch zonder veiligheidsmaatregelen, alsof de vijand nog niet zeer nabij was. De kapitein Van Lier zag dadelijk het gevaar in, riep den commandant terug om hem attent te maken op de mogelijkheid van een onverwachten aanval, zoodat men zich - door het verklaarbaar verlangen om spoedig den vijand te naderen - niet ontslagen mocht achten van het nemen der noodige voorzorgsmaatregelen.

De commandant snelt naar het hoofd zijner troepen terug, om in dien geest de noodige bevolen te geven; doch voor hij de spits bereikte, was reeds het noodlottig oogenblik aangebroken.

Toen de voorste soldaten het schijnbaar verlaten boscbje tot op eenige passen afstand waren genaderd, viel een lillaschot - blijkbaar een afgesproken teeken - en aanstonds vlogen de Atjehers met lans en klewang gewapend uit het boschje en wierpen zich niet woesten gebaren en krijgsgeschreeuw op onze soldaten, die, het geweer op schouder dragende, zelfs geen tijd hadden de haan te spannen om een schot te doen; terwijl de officieren geen tijd hadden om eenig commando uit te spreken.

Een paniek ontstond bij het peloton, de manschappen weken terug, de compagniescommandant struikelde, werd door zijne manschappen medegesleept en in een oogwenk had deze voortroep het gras bij den grafheuvel weder bereikt. Doch niet allen weken terug; een elftal hield stand en aanvaardde den wanhopigen strijd tegen de overmacht.

De luitenant De Sturler en de sergeant Braskamp, die zich aan het hoofd bevonden, stelden zich te weer, negen fuseliers bleven hun getrouw, omringd door twintig Atjehers, die met groote vaardigheid houwen en steken toebrachten, voor er tegenweer kon worden geboden.

Braskamp viel het eerst gewond ter neder; toen hij zich trachtte op te richten, ziet hij zijn luitenant, mede gewond en wiens sabel reeds krom geslagen is, de revolver trekken, om zijne belagers van het lijf te houden; hij wil zijn luitenant ter hulp komen, doek valt andermaal, getroffen door een lanssteek, ter aarde.

Een kluwen van vriend en vijand vertoont zich aan het oog, bajonet en lans of klewang meten zich met elkaar; na weinige minuten voordat hulp kon opdagen, was de strijd volbracht, de Atjehers trokken in het boschje terug.

De luitenant De Sturler, de sergeant, Braskamp en de fuseliers Navarro en Westerhout konden, hoewel zwaar gewond, den grafheuvel, waar het gras stand, nog bereiken.

Zeven bleven op de plaats van den strijd liggen; vier waren gesneuveld - de fuseliers Scharzingen, Pothuijzen, Miestel en De Bonte - twee waren bewusteloos, doch stierven nog denzelfden dag in de ambulance; de fuseliers Fuchs en Henders. De zevende hief de bebloede handen omhoog ten teeken dat hij nog leefde; doch dit sein, voor zijne kameraden bestemd, werd ook gezien door de Atjehers, welke veel dichter bij hem waren, en zij kropen over den grond naar hem toe, om hem nog verschillende steken toe te brengen tot hij bewegingloos ter neder lag.

Nadat het boschje, door enkele welgerichte schoten, van vijanden was gezuiverd, kon men de noodlottige plek naderen en de gekwetste werd op een tandoe, waarvan hot bloed af troop, naar de ambulance gedragen. Negen wonden waren den ongelukkige toegebracht, waarvan twee aan het hoofd, de overige aan linkerhand en linkerarm, terwijl de rechterhand vier vingers miste. Toen hij als een bebloede klomp voorbij de compagnie werd gedragen, hief de kranige soldaat, die geen kreet van smart had doen hooren, het zwaar gewonde hoofd op, om een "leve de Koning" te doen hooren, een kreet, welke door allen werd herhaald. Die kranige fuselier was C. van Overmeiren, die woord gehouden had en zich liever in stukken had laten hakken, dan terug te wijken.

Wat niemand verwachtte, geschiedde; de zwaar gewonde herstelde van zijne vreeselijke wonden, hoewel het gemis der vier vingers van de rechterhand en verlamming der strekspieren van de linkerhand hem voor den dienst deden afkeuren. In 1875 vertrok hij naar Nederland; met een pensioen van f. 300 's jaars. Thans is hij weduwnaar en woont met zijne vier kinderen in Amsterdam, waar men zeker met belangstelling van het bovenstaande zal kennis nemen en daarvan den held van het verhaal de blijken zal geven.

De opbrengst van het werkje De Verovering van Atjeh's groote Missigit zou ten goede komen aan de kinderen van den oversaagden dapperen fuselier van Overmeiren.

Geschreven door Jozef Bruinsma.
 
Copyright 2010 J.F.D. Bruinsma, bijgewerkt op 18 februari 2011
 

Joost Bruinsma
J.F.D. Bruinsma