Familiegeschiedenis
Familieportret Leeuwarden 1852 Triomf na de 2e expeditie van Atjeh april 1874 Jozef Bruinsma als 1e luitenant in Atjeh Jozef Bruinsma met Wilhelmina Lissonne in Den Haag 30-12-1878 Jozef Bruinsma, waarschijnlijk Zutphen 1891
Familieportret Nijmegen +/- 1911
   

Korte biografie van Jozef Bruinsma (1846-1913), militair in hart en nieren

  Josephus Fredericus Dominicus, kortweg Jozef Bruinsma werd geboren in Leeuwarden aan de Bagijnestraat 45 op 5 augustus 1846 als negende uit een gezin van 12 kinderen.

Zijn vader was Anastasius Bruinsma , directeur en eigenaar van een katoenfabriek in Leeuwarden. Zijn moeder was Johanna Maria Metz.

In 1880 trouwde Jozef met Wilhelmina Cornelia Maria Lissone. Samen kregen zij 5 kinderen, 2 dochters, Johanna en Philippine en 3 zoons; Koos , Chris en Gerrit .


Op zijn 14e verliet hij het ouderlijk huis. Jozef doorliep van 1860 tot 1866 de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Daarna kwam hij als officier bij het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL) waar hij zich zodanig onderscheidde dat hij de Militaire Willemsorde 4e klasse mocht ontvangen. De krijgsverrichtingen legde hij vast in boeken en artikelen.

Het Koninklijke Nederlandersch Indisch leger was gevormd om mogelijke onlusten, die in de overzeese bezittingen uitbraken, te onderdrukken.


Gewond geraakt
Als zeer jonge officier raakte Jozef tijdens de laatste Balische expeditie van 1868 gewond. In de Prins der Geillustreerde Bladen, bladzijde 312, 1903 staat:

"Toen de troepen opgesteld waren, haalde hij een zakboekje voor de dag om een schetsje te maken van het omliggend terrein; van de vijand was toen nog niets te bespeuren. Maar terwijl hij zo voor zijn manschappen heen en weer wandelende, riep een korporaal hem toe, dat hij in het bosje beweging van inlanders had gezien. "Schiet dan maar toe", antwoordde hij deze, "maar pas op, elk schot een eendvogel!" In het volgende ogenblik trof hem een kogel en werd hij, zoals iedereen dacht, dodelijk gewond weggedragen. Toch bleek de verwonding, hoewel zeer ernstig, door een zeer toevallige omstandigheid niet dodelijk te zijn. Bij het ietwat haastig wegbergen van het schetsboek had hij het niet op zijn gewone plaats in de achterzak maar voor tussen zijn uniformjas. Juist daar trof hem bijna op hetzelfde ogenblik de kogel en deze moest dus een flinke kartonnen omslag en een boekje van een vinger dik doorlopen, alvorens het lichaam, in de bovenste leverstreek, te kunnen treffen. Toch zou vermoedelijk de verwonding daardoor niet tegengehouden zijn, zo een tweede toevallige omstandigheid zich niet bij de eerste gevoegd had.

De dag daarvoor waren een onderofficier door Baliers in een hinderlaag gelokt en afgemaakt, waarbij de vijand natuurlijk de geweren en munitie buit had gemaakt. Het waren geweren met getrokken loop, waarbij puntkogels hoorden; deze laatste, enigszins in de vorm van suikerbonen, werden door de onkundigen met de punt naar beneden in de loop geschoven, en het gevolg daarvan was, dat de kracht van de kogel zeer veel verminderde. Ook de Balier had waarschijnlijk deze fout gemaakt, en daardoor kwam de kogel niet met de punt vooruit, maar dwars tegen het zakboekje, waar hij wel half platgeslagen doorheen boorde, maar toen geen doorborende en dodelijke buikwonde meer kon veroorzaken, maar slechts een minder gevaarlijke verwonding, die na verwijdering van de kogel gemakkelijk genas."

( Wereldkroniek, 1913. Prins der Geillustreerde Bladen, bladzijde 312, 1903 G. Van Steijn, Gedenkboek KMA P.B. Nieuwenhuis, Breda.)


Het schetsboekje en de kogel zijn nog steeds in bezit van de familie.


Atjeh expedities
Jozef nam met het 7e Regiment Infanterie deel aan de beide Atjehexpedities; dit waren militaire strafexpeditie tegen Atjeh in 1873 en 1874 met als doel een nieuw tractaat te sluiten, als vervolg op het tractaat uit 1859 (gesloten door Jan van Swieten) om zeeroof tegen te gaan. Bij de eerste expeditie onderscheidde Jozef zich zodanig dat hij een eervolle vermelding ontving. Voor zijn optreden een jaar later bij de tweede Atjeh-expeditie verwierf hij de Militaire Willems-Orde vierde klasse (KB 6 oktober 1874, nr. 10). Hij was bij de eersten die de kraton binnenstormden en de Nederlandse vlag plantten. Vervolgens meldde hij de verovering als officier ordonnans bij zijn bevelhebber. Op 24 februari 1874 kwam hij met 249 zieken en gewonden op de stoomer Sumatra vanuit Atjeh in Padang aan. Op 1 juni 1874 ging hij verder naar Batavia om vervolgens op 18 januari 1875 te vertrekken met het Franse schip de Neva via Singapore naar Marseille en van daaruit naar Holland waar hij 5 jaar zou worden gedetacheerd bij het Nederlandse leger.


Naar Nederland
In Nederland werd hij ingedeeld bij de generale staf, inmiddels was zijn bevordering tot kapitein van de Infanterie begin september 1877 afgekomen. In juli 1879 bekleede hij de functie van secretaris van de commissie tot het ontwerpen van een wet tot regeling der staatsrechtelijke verhouding tussen de Nederlandse en Nederlands Indische Legers, tezamen met de heren Weitzel, Kleijn en Six. Op 5 augustus 1880 trouwde hij in Den Haag met Wilhelmina Lissonne.


Semarang
Op 28 oktober 1880 vertrokken beide echtelieden met het tweedeks Clipper-Fregat Prinses Amalia vanuit de haven van Amsterdam naar Batavia. Aan boord waren tevens 50 man suppletietroepen en 4 onderofficieren. De reis ging via Southampton en Napels door het Suez kanaal, aankomst in Batavia op 8 december 1880. Na een kortverblijf in Batavia vertrokken ze op 25 december 1880 met het schip de G.G. Mijer naar Semarang waar Jozef geplaatst was. Daar werden Philipine, Koos en Chris geboren. Eind april 1881 werd hij overgeplaatst naar de Generale Staf om vanuit die positie te worden benoemd tot chef van de staf van de 2e militaire afdeling op Java. Op 13 mei 1881 beviel Wilhemina van een dochter, Johanna. In die periode was ook zijn broer Bram, A.E.J. Bruinsma houtvester 3e klasse belast met het beheer van het nabijgelegen bosdistrict Pekalongan. In mei 1883 werd Philipine geboren, spoedig volgden ook Koos en Chris .


Met ziekteverlof
Met het stoomschip Soenda vertrok de familie op 8 mei 1887 vanuit Semarang, via Batavia naar Nederland. In Nederland liet hij zich niet onbetuigd en volgde al snel een benoeming bij de KMA alwaar hij tevens lid werd van de examen-commissie. Op 10 oktober 1887 volgde de bevordering tot majoor, een bevordering die bepaaldelijk bedaagd genoemd mag worden.


Jozef als schrijver
In de periode in Nederland vertelde hij op 21 febrauri 1889 bij Vereniging ter beoefening van krijgswetenschappen hartstochtelijk zijn relaas over de strijd in de Oost. De voordrachten brachten hem ertoe een en ander aan het papier toe te vertrouwen waardoor wij nu zijn lotgevallen kunnen meebeleven. Hij schreef drie boeken: De Verovering van Atjeh's groote Missigit, Onze versterking in het landschap Edi en de militaire loopbaan van Gerrit Jan ter Woord. De boeken en artikel die hij schreef brachten stuk voor stuk hulde aan de manschappen van het Indische Leger. Bijvoorbeeld het stuk over Fuselier van Overmeiren.


Koloniale Reserve
Jozef werd bij Koninklijk Besluit van 3 september 1890 als commandant van de Kolonische Reserve geinstalleerd met kazernes in Nijmegen en Zutphen. Op 20 oktober 1890 vestigde hij zich in Zutphen, bij het Huis Walien waar een zogenaamde reconvalescenten-compagnie was opgericht. Oud-Knil manschappen, onderofficieren en officieren herstelden van (tropische) ziekten waarna ze voorbereid werden op een nieuwe missie in het overzeese. In december 1890 was hij aanwezig bij de begrafenis van de Koning. In diezelfde maand werd hij door de Groothertog van Saksen benoemd tot commandeur in de orde van den Witten Valk. Op 5 januari 1891 volgde de benoeming tot luitenant-kolonel.


Terug naar de Oost
In 1895 werd hij kolonel en commandant van de Eerste Militaire Afdeling op Java, daarna was hij een tijd Militair Commandant van Lombok (de Pacificatie van Lombok). In 1897 ging hij met pensioen in de rang van Generaal-Majoor. In 1902 tot wsl. 1906 woonde Jozef met zijn vrouw en hun jongste zoon in Jakarta in de wijk Kebon Sirih. Ze bewoonden een statig huis met veel marmer en met mozaiek bevloerd. ( Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indie 30-01-1907, Dag) In 1904 houden de uitnodigingen in Jakarta op en keren ze terug naar Nederland.


Einde van de dienst
Terug in Nederland werd Bruinsma met ingang van 19 juni 1906 schoolopziener in het arrondissement Nijmegen (UN 19-06-1906 2e bladzijde). Enige tijd later werd hij benoemd tot generaal-majoor in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Als generaal-majoor werd hij commandant van de Koloniale reserve in Nijmegen, een belangrijk opleidingsinstituut dat toekomstige KNIL militairen moest klaarstomen voor dienst in de Indie. Hij adviseerde tevens bij de verniewingen van uniformen en schoeisel van militairen in de tropen.


Jozef Bruinsma overleed in Venraij op 6 juni 1913. De geboorte van zijn eerste en enige kleinzoon mocht hij niet meer meemaken, maar gelukkig ook niet het overlijden van zijn tweede zoon op 16 november 1914 in Westkapelle.


 
   
Copyright 2011 J.F.D. Bruinsma, bijgewerkt op 9 december 2012
 
Joost Bruinsma
J.F.D. Bruinsma
Boeken:
Fuselier van Overmeiren

De Verovering van Atjeh's groote Missigit, PDF
Onze versterking in het landschap Edi, PDF
Biografien:
Anastasius Bruinsma
Jozef Bruinsma
Koos Bruinsma
Christoffer Bruinsma
Gerrit Bruinsma
Westkapelle 1914